Uit de introductietekstjes van leerlingen over hun docenten van de vorige school:
– “Mijn docente kon wel goed uitleggen, maar wilde je niet graag helpen.”
– “Mijn leraar Nederlands was typisch in de zin dat hij iets te enthousiast was.”
– “Mijn lerares Nederlands was de minst populaire (zeg gerust meest gehate) lerares van de school.”
– “Mijn docent was wel enthousiast en je kon wel merken dat hij oud was omdat hij wist waar hij over praatte.”
– “Ik vond het wel grappig dat mijn docent Antiliaan was en Nederlands gaf met haar accent.”
– “Onze docent liet ons vrij zelfstandig werken en controleerde ook niet zo vaak.”
– “Mijn docent Nederlands was niet zo goed; altijd hetzelfde in de lessen en hield nog net orde.”
– “Wat ze heel leuk vond was literatuur, ze praatte zo zonder problemen een uur vol over één boek.”
– “Ik on het totaal niet vinden met mijn docent Nederlands. Die had het echt voorzien op mij, omdat ik volgens haar niet
‘de ideale leerling’ was.”
– “In de derde hoefde je nooit wat te doen omdat de docent nooit zin had om wat uit te leggen.”
– “Mijn docent wist wel veel, maar kon dit niet leuk over brengen.”
Gelukkig zaten er ook leuke, gezellige en goede docenten tussen.





